PIM'S DISCOVERY JOURNEY TO INFINITY


A MODERN FAIRYTALE
(EEN MODERN SPROOKJE)




PIM'S ONTDEKKINGSREIS NAAR ONEINDIG

Ik noem hem Pim. Zijn echte naam is H-Nu (hv), maar dat vinden de meeste mensen te moeilijk. Pim werd lang geleden geboren, op een plaats hier ver vandaan. Het was ergens diep in het binnenste van de zon. Het is daar erg heet. De familie H-Nu was anders dan wij. Wij hebben één vader en één moeder, maar Pim's tak van de H-Nu familie had vier ouders, twee protons en twee neutrons. Toen die alle vier samen trouwden, werd Pim geboren. In zijn wereld, zeggen ze niet "geboren", daar noemen ze het "geconverteerd", of "omgezet". Ze offerden een ietsepietsie van hun gezamenlijk vlees en bloed om een nieuw Pimmetje te maken, zoals jouw vader en moeder een klein beetje van het hunne offerden om jou te maken. Pas geconverteerde H-Nu-tjes blijven niet bij hun ouders, die vertrekken onmiddellijk van de plaats waar ze omgezet zijn. Zij willen het heelal - dat is veel meer dan hemel en Aarde - verkennen.

Voor PIM en de meeste andere net omgezette H-Nu's was dat niet makkelijk. Zodra ze een stap deden botsten ze tegen de buren van hun ouders of tegen nog ongetrouwde protonen en neutronen. Die namen hen op, wat we "absorberen" noemen. Maar de H-Nutjes bleven niet lang bij die stiefvaders en moeders. Zodra ze de kans kregen, liepen ze verder, of werden weggestuurd. Ge-emitteerd, noemen mensen dat.
Omdat het in die buurt heel druk is, herhaalt dat absorberen en weer emitteren zich ontelbare keren. Maar vroeg of laat belanden ze toch op een plek waar het minder druk is en waar de lege ruimte begint. Dan kunnen ze grotere sprongen maken en tenslotte komen ze waar het echt leeg is en niets ze meer tegenhoudt. Voor sommige H-Nu's duurt dat jaren en voor andere, zoals Pim, die geluk hebben, maar een paar seconden.

Pim was blij eindelijk eens op te kunnen schieten en er de gewone H-Nu pas in te zetten. Dat is heel snel. Wel 299.792 kilometer/seconde. Veel sneller dan een vliegtuig of een raket. Maar hij had pech. Onze Aarde lag op zijn pad. Al na een minuut of 6 werd zijn snelle reis onderbroken. Hij miste op een haar al die protonen en neutronen in onze lucht en botste op een atoomkern of zoiets in een groene plantencel. Daar was hij erg welkom, want die cel was ingericht voor H-Nu ontvangst. Niet voor absorptie en her-emissie, waarmee hij bekend was, maar om zijn energie om te zetten door van water- en CO2-moleculen met een snufje mineraalstof een vezel te maken. Zijn stralingsenergie was natuurlijk niet weg, dat kan niet. Maar was weer eens omgezet, nu in chemische energie. Die kan lang bewaard blijven op een zelfde plek. Toen na lange tijd de boom, waarin zijn energie was opgeborgen stierf, omviel en in de grond verzonk, gebeurde er van alles, waarover hij van zijn ouders niets geleerd had. En wat hij in het donker ook niet kon zien. Hij besloot dus maar slapend op betere tijden te wachten.

Pim bleef heel lang, wel tientallen miljoenen jaren als slapend plukje chemische energie, in de grond zitten. Eigenlijk was dat niet de hele Pim. Ergens in de lucht, of misschien in de zee, of waar dan ook was ook een zuurstof atoom dat samen met een stukje Pim in de grond door de fotosynthese uit het CO2 was gepeuterd, dankzij Pim’s energie.
Het duurde, zoals ik al vertelde wel heel wat miljoenen jaren, voor een mijnwerker in een kolenmijn hem opdolf in een stukje steenkool. Het was koud en de mijnwerker stookte een kolenvuurtje om zich te warmen. Gelukkig voor Pim, maakt het voor het vrijmaken van zijn chemische energie niet uit, of zijn eigengemaakte zuurstof atoom of een van de vele andere zuurstofatomen in de lucht zich aan hem hechtte. De mijnwerker was blij met de als warmte vrijgekomen energie, die net als andere warmte zijn eindeloze reis hervatte.

Ik zal jullie niet vervelen met alle verschillende manieren, waarop Pim van het houtvuurtje verder reisde naar de top van de atmosfeer. Sommige stukken deed hij als gewone H-Nu. Dat ging lekker snel, maar dan werd hij weer geabsorbeerd en moest een stukje verder in een aangeslagen molecuul of aan boord van een versneld molecuul. Soms reisde hij een stuk als verdampingswarmte, dan weer in een opgaande luchtstroom als condensatie warmte. En soms was het een reis van drie stappen omhoog en dan weer twee naar beneden. Je begrijpt, dat het voor onze Pim, die op eigen vermogen 299.792 kilometer in een seconde kon reizen, niet leuk was zo slecht op te schieten. Het duurde meer dan een dag voor hij zo ver opgestegen was, dat hij het grootste deel van de 300 km, die hem van de vrijwel lege ruimte scheidde als H-Nuer kon vervolgen. Er waren in die laatste 200 km nog wel enkele absorpties, maar omdat de her-emissies dan in milliseconden volgden, zouden wij zeggen dat die laatste 200 km in de buurt van de aarde snel voorbij waren. Al dacht een echt H-Nu als Pim, daar anders over.

Na de laatste emissie, hij was toen ongeveer 320 km hoog, door een daar verdwaald H2O-molecuul, reisde hij op zijn eigen wijze het avontuur tegemoet. Nog een keer had hij de pech de maan op zijn tocht weg van Zon en Aarde tegen te komen. Dat gebeurde een-en-drie-tiende seconde nadat hij van de top van de Aardatmosfeer was afgestraald. Dit keer had hij meer geluk dan met zijn botsing op de Aarde. De Maan absorbeert niet al het licht dat er opvalt. Net als de Aarde spiegelt hij ook een deel van de ontvangen straling direct weer het heelal in zonder het eerst te absorberen en dan vroeg of laat weer opnieuw uit te stralen. Pim hoorde dit keer bij de weerkaatste gelukkigen. En eindelijk begon zijn echte ruimtereis. Dit keer zonder gelijk weer op hindernissen te botsen.

Op dus naar grens van het heelal, het doel dat onze Pim voor ogen had. Hij wilde ontdekken hoe die grens er uit zag en of hij echt bestond. Je zou denken dat dat met zijn reissnelheid wel vlug zo ver zou zijn. Maar dan vergis je je. Want al weten we niet precies hoe groot het heelal is, we weten wel dat het erg groot is. De grens is tenminste veertien miljard lichtjaar van ons vandaan. Een lichtjaar is de afstand, die het licht met een snelheid van bijna 300.000 km/sec in een jaar aflegt. Dus Pim dacht tenminste 14 miljard jaar te moeten reizen, voor hij zou zijn waar hij heen wilde. Maar nu moet ik je iets vertellen, waarover Pim blij zou zijn als hij het tevoren geweten had en iets droevigs, waarmee hij niet blij zal zijn geweest. Eerst het leuke maar. Hoewel wij weten, dat zijn reis ondanks zijn enorme snelheid wel 14 miljard jaar zou gaan duren, was dat voor Pim niet het geval. Voor wie met de snelheid van het licht reist, staat de tijd stil. Dus als Pim na een jaar keek, waar hij was en hoe hij opschoot, dus op een miljard lichtjaar van ons vandaan, zou hij denken. Dat hij maar net één keer met zijn oog had hoeven knipperen, om die afstand af te leggen. Je kunt je voorstellen hoe blij hij was. Hij zou geen seconde ouder zijn, als hij zijn doel, de heelalgrens, zou bereiken. Dat was een prettig vooruitzicht. En hij kreeg ineens hoop om nog voor zijn dood terug te kunnen zijn bij zijn geboortezon om zijn ouders al zijn ontdekkingen te vertellen.

Jammer voor Pim, dat hij toen nog niet wist, dat hij het onmogelijke wilde. Alles tot nu toe, was groot nieuws, waarmee hij, als hij zou terugkeren veel verbazing zou wekken. Maar zijn doel zou hij nooit bereiken. Want het heelal is niet zoiets als de binnenkant van een pingpong bal. Het is meer de binnenkant van een luchtballon die je met razende snelheid opblaast. De wand, als je daarvan spreken wil verwijdert zich met lichtsnelheid van het centrum. Dus als je zoals Pim zelf niet harder reist dan het licht, kom je er nooit. Het is net als een rit met een hondenkar, waar je de trekhond laat rennen, om een bot te pakken, dat aan een touw aan een lange stok door jou in het wagentje een meter voor zijn neus wordt gehouden. Hoe hard je hondje ook rent, bij die worst komt hij nooit. Nu ja, behalve als jij medelijden krijgt en de stok een meter intrekt. Maar wie zou voor Pim die terugtrekkende heelal grens afremmen? Wij weten het niet.

Ik heb niet gehoord hoe het met Pim afliep. Ik hoop maar, dat hij tijdig het hopeloze van zijn plan inziet en terugkeert naar zijn vertrekpunt. Misschien redt de natuur hem zelf en maakt hij de ruimte, waarin Pim voortvloog wel zo krom, dat die vanzelf weer op zijn startpunt terugkeert. Ik denk dat hij dan thuis met open armen zal worden ontvangen.
Je denkt misschien: “Maar hij is zo lang weggeweest, dan is zijn energie toch langzamerhand wel op? Als ik een vuurtje stook, is dat toch ook na een tijdje uitgebrand?” Dan heb je het mis. Want energie gaat nooit verloren, die komt altijd in een andere vorm weer voor de dag. Ook die van jouw vuurtje, al heb jij er dan niets meer aan, omdat het de lucht in steeg. Uit het heelal is het niet verdwenen. Daarom denk ik, dat dit geen onmogelijk sprookje is, al ging het misschien niet precies, zoals ik het vertelde.

C. (Kees) le Pair
Cha-am, 2025 01 30.

PIM'S DISCOVERY JOURNEY TO INFINITY

I call him Pim. His real name is H-Nu (hv), but most people find that too difficult. Pim was born a long time ago, at a place far from here. It was somewhere deep inside the sun. It's very hot there. The H-Nu family was different from ours. We have one father and one mother, but Pim's branch of the H-Nu family had four parents: two protons and two neutrons. When all four of them married, Pim was born. In his world, they don't say "born"; they call it "converted" or "transformed." They sacrificed a tiny bit of their collective flesh and blood to create a new little Pim, just like your father and mother sacrificed a little of theirs to make you. Newly converted H-Nu's don't stay with their parents; they immediately leave the place where they were transformed. They want to explore the universe - which is much more than just heaven and Earth.

For Pim and most other newly converted H-Nu's, this wasn’t easy. As soon as they took a step, they bumped into the neighbors of their parents or other unmarried protons and neutrons. These protons and neutrons took them in, which we call “absorbing.” But the H-Nu’s didn’t stay long with those step-parents. As soon as they had the chance, they kept moving, or were sent away. We call that "emission."
Because it's very busy in that neighborhood, the absorption and re-emission repeats countless times. But sooner or later, they end up in a place where it's less crowded, and where the empty space begins. Then they can take larger leaps and finally reach a place where there is really nothing to stop them. For some H-Nu's, this takes years, but for others, like Pim, who are lucky, it only takes a few seconds.

Pim was happy to finally take off and enter the normal H-Nu pace. That's very fast (299,792 kilometers per second). Much faster than an airplane or rocket. But he had bad luck. Our Earth was in his path. After just about 6 minutes, his speedy journey was interrupted. He just missed all those protons and neutrons in our air and collided with an atomic nucleus or something like that in a green plant cell. He was very welcome there because the cell was designed for H-Nu reception. Not for absorption and re-emission, which he was familiar with, but to convert his energy by turning water and CO2 molecules with a little mineral substance into fiber. His radiant energy wasn't lost, because that can't happen. But it was once again transformed, now into chemical energy. That energy could be stored for a long time in the same place. When, after a long time, the tree in which his energy was stored died, fell over, and sank into the ground, all sorts of things happened that he had never learned from his parents. And which he couldn't see in the dark. So, he decided to wait for better times while sleeping.

Pim remained for a very long time, tens of millions of years, as a sleeping bundle of chemical energy in the ground. Actually, that wasn’t the whole of Pim. Somewhere in the air, or maybe in the sea, or somewhere else, there was also an oxygen atom that, together with a piece of Pim in the ground, had been pulled out of CO2 through photosynthesis, thanks to Pim’s energy.
It took, as I mentioned, many millions of years before a miner in a coal mine dug him up from a piece of coal. It was cold, and the miner stoked a coal fire to warm himself. Luckily for Pim, it didn’t matter whether his self-made oxygen atom or one of the many other oxygen atoms in the air attached to him. The miner was happy with the energy released as heat, which, like other heat, resumed its endless journey.

I won't bore you with all the different ways in which Pim continued his journey from the campfire to the top of the atmosphere. Some parts of the journey he made as a regular H-Nu. That was nice and fast, but then he was absorbed again and had to travel a bit further in an excited molecule or on board an accelerated molecule. Sometimes he traveled a bit as evaporative heat, and other times in an updraft as condensation heat. And sometimes it was a journey of three steps up and then two steps down. You can imagine that for our Pim, who could travel at 299,792 kilometers per second under his own power, this wasn’t much fun. It took more than a day for him to rise so high that he could continue the last 300 km, which separated him from the nearly empty space, as a true H-Nu. There were still a few absorptions in the final 200 km, but because the re-emissions followed in milliseconds, we would say those last 200 km near Earth passed quickly. Although a real H-Nu like Pim would have seen it differently.

After the last emission, when he was about 320 km high, from an H2O molecule that had strayed there, Pim traveled in his own way towards his adventure. One more time, he was unlucky to encounter the moon on his journey away from the Sun and Earth. This happened one and three-tenths seconds after he was emitted from the top of Earth’s atmosphere. This time he was luckier than with his collision with Earth. The Moon doesn’t absorb all the light that strikes it. Like Earth, it also reflects some of the received radiation directly back into the universe without absorbing it first and then re-emitting it later. Pim was among the lucky ones who got reflected. And finally, his real space journey began. This time without immediately running into obstacles.

So on he went toward the boundary of the universe, the goal Pim had in mind. He wanted to discover what that boundary looked like and whether it really existed. You might think that with his speed, he would reach it very quickly. But you’d be wrong. Although we don’t know exactly how big the universe is, we do know that it’s extremely vast. The boundary is at least 14 billion light-years away from us. A light-year is the distance that light travels in one year at a speed of nearly 300,000 km/sec. So Pim thought it would take at least 14 billion years to travel that far and reach his destination. But now I have to tell you something that Pim would have been happy to know in advance and something sad that he wouldn’t have liked. First the good part: Although we know that his journey would take 14 billion years, this was not the case for Pim. For someone traveling at the speed of light, time stands still. So, if Pim looked after a year, at a distance of one billion light-years from us, he would think that it took just one blink of the eye to cover that distance. You can imagine how happy he was. He wouldn’t be a second older when he reached his goal—the boundary of the universe. That was a comforting thought. And he suddenly had hope that he might be back before he died to tell his parents all about his discoveries.

Unfortunately for Pim, he didn't know at that time that he was aiming for the impossible. Everything up to now was great news that, if he returned, would amaze everyone. But he would never reach his goal. Because the universe is not like the inside of a ping pong ball. It’s more like the inside of a balloon that you’re inflating at high speed. The wall, if you want to speak of it, is moving away from the center at the speed of light. So if, like Pim, you don’t travel faster than light, you’ll never get there. It’s like a ride in a dog cart, where you make the dog run to catch a bone held in front of his nose at the end of a long stick tied to the cart. No matter how fast the dog runs, he’ll never reach the bone. Well, unless you feel sorry for the dog and pull the stick back by a meter. But who would slow down the retreating boundary of the universe for Pim? We don’t know.

I haven't heard how it ended for Pim. I just hope that he realizes the hopelessness of his plan in time and returns to his starting point. Maybe nature will save him and make the space in which Pim is traveling so curved that it brings him back to his starting point by itself. I think he will be welcomed home with open arms.
You might think, "But he's been gone for so long, his energy must have run out by now. If I burn a fire, it's gone after a while, right?" You're mistaken. Because energy never disappears; it always reappears in another form. Even the energy from your fire, although you no longer benefit from it, as it rises into the air. It hasn't disappeared from the universe. That's why I think this isn't an impossible fairytale, even if it didn't happen exactly as I've told it.

C. (Kees) le Pair
Cha-am, 2025-01-30.