High Tech in 16691

Vroeger leerden wij op school van de gouden eeuw. De zeven provincies bevrijdden zich van de overheersing door een supermacht. De economie floreerde en overal op de wereld verschenen handeldrijvende en koloniserende Nederlanders. In de schaduw daarvan bloeiden hier ook kunst, wetenschap en techniek.
Al jaren geleden betoogde de wetenschapshistoricus, Hooykaas, dat in deze visie oorzaak en gevolg verwisseld worden. Het was juist doordat Nederland technologisch de rest van de wereld achter zich liet, dat wij in staat waren de Spanjaarden er uit te gooien en onze zin overal op de aardbol door te zetten. Meer mechanisatie, waardoor arbeid veel produktiever werd, een hogere graad van geschooldheid en ... een superieur sociaalzekerheidsstelsel kenmerkten de succesrijke republiek. Over dit laatste zal ik het hier verder niet hebben al zijn er mooie voorbeelden te geven waaruit blijkt dat ook die zekerheid economisch vaak voordelig uitpakte.

Onlangs stond in Technology and Culture een aardige beschrijving van zo'n stukje geavanceerde techniek in het Amsterdam van die dagen. De schrijfster, Multhauf, woont in de USA.
Het gaat om straatverlichting. De schilder en uitvinder Jan van der Heyden, die ook de brandspuit had bedacht, ontwierp een olielamp, die hij in 1669 het stadsbestuur aanbood. Eerder al had de stad zich over openbare verlichting beraden. Er verdronken in het donker te veel mensen. Burgers hadden een hekel aan het meedragen van een lamp na negen uur, waartoe zij al sinds het jaar 1505 verplicht waren. Donkere straten waren een groot gevaar bij brand. Wel vielen zij in de smaak van inbrekers en ander geboefte, maar dat zinde de rest van de bevolking weer niet. Vanaf 1544 waren er wel enkele bruggen en kruispunten verlicht, maar de rest van de stad was duister. In de Middeleeuwen was de enige verlichting hier, net als in de rest van Europa, een toevallige kaars voor een beeld van een heilige die die dag door iemand werd bedacht.
In 1579 werden de caféhouders verplicht een lamp buiten te hangen, of een kaars voor hun raam te zetten. Een van de oudste voorbeelden van 'de vervuiler betaalt' zou je kunnen zeggen. Een paar jaar later werd verordonneerd dat de bewoner van elk twaalfde huis in een straat een lamp buiten moest laten branden. Het succes van die maatregel was net zo voorspelbaar als het nu zou zijn. De stad bleef donker en mensen bleven in de grachten vallen.
Het plan dat van Van der Heyden in 1669 indiende en dat 34425 guldens kostte was revolutionair. Niet alleen was zijn lamp een ingenieus en toch eenvoudig te maken stukje techniek, maar ook de organisatie die hij voorstelde was prima. Het stadsbestuur veranderde er nog wel wat aan, maar niet zo dat het onwerkbaar werd. Al in 1670 verlichtten 1800 olielampen de straten van de stad op kosten van de gemeente. De lampen werden goed gecontroleerd en onderhouden en het systeem bleef dan ook meer dan een eeuw intact. De armenbuurten werden ook verlicht, zij het dat de lampen daar wat verder uit elkaar stonden. Dat was geen bezwaar vond men, omdat ook hun huizen van binnen slechter verlicht waren en hun ogen dus beter aan de duisternis gewend!
Wij moeten de organisatie die er aan te pas kwam niet onderschatten. Een legertje lampopstekers en controleurs moest er voor zorgen dat de lampen gevuld werden, op tijd aangestoken - dat kostte voor de hele stad een kwartier(!) - schoongehouden en op de juiste manier van lont voorzien. Oliediefstal moest worden voorkomen. De hele opzet was listig, vandaar het succes. Andere Nederlandse steden zoals Dordrecht, Den Haag en Gouda begonnen in hetzelfde jaar 'Van der Heyden-lampen' te plaatsen. In het buitenland namen in 1682 steden als Berlijn en Keulen het ontwerp over, natuurlijk zonder Van der Heyden de eer te geven. In 1701 installeerde Leipzig 750 lantaarns volgens zijn ontwerp.
Nog meer illustratief voor de technologische oorsprong van de republiek is een vergelijking met de geschiedenis van de straatverlichting elders. Zo begon Parijs zijn straten te verlichten na een verordening daartoe van 1667. Men gebruikte ondeugdelijke kaarslampen, die slechts eens per maand werden schoongemaakt, waardoor ze al enkele dagen na een beurt absoluut geen licht meer uitstraalden als gevolg van de roetaanslag. Het duurde daar tot 1769 voor olielampen werden ge´ntroduceerd, die ook echt licht gaven. In Londen werd enkele jaren voordat Amsterdam zijn superieure verlichting kreeg, verordonneerd dat bezitters van een huis aan de straat een lamp buiten moesten hangen. Min of meer het Amsterdamse systeem van een eeuw eerder dus. Het resultaat was net als hier; het bleef donker. Waaraan we zien dat ook toen al beleidsmakers noch van elkaars, noch van hun eigen fouten leerden; een universele constante in de historie.
In 1736 ging men in Londen pas over op olie. Er werd een lamp gebruikt die technisch inferieur was aan die van Amsterdam. De Londense lamp werd in 1757 overgenomen door Philadelphia. Dat werd de eerste stad in de USA met straatverlichting. Niemand minder dan Benjamin Franklin kwam tussenbeide: hij wees er op dat de lamp onhandig was, te veel service vroeg en te duur was in het gebruik. De luchtcirculatie deugde niet. Hij beval een ander model aan dat als twee druppels water op Van der Heyden's vinding leek. Multhauf vraagt zich ondeugend af, of ergens in een hoekje van het geheugen van de oude Franklin2 wellicht een plaatje van een lamp in Amsterdam bewaard gebleven was?

Behalve de superieure technische constructie kleeft aan dit lampenverhaal ook het succes van de organisatorische opzet. Ook daarin waren de Hollanders vele landen voor.
Al heeft de wereld de oude Amsterdammers niet de eer gegund die zij met hun straatverlichting verdienden, de kunstmatige verlichting van straten, huizen, kantoren en fabrieken is ook nu nog bij uitstek een Nederlandse aangelegenheid. Al jaren is Philips leider op de wereld-verlichtingsmarkt. Er is geen direct verband tussen dit succes en dat van Van der Heyden. Wel is er een patroon dat zich herhaalt: een technologische voorsprong gekoppeld aan een goede organisatie. Het zijn die beide dingen die zorgen baren. Nederland besteedt, vergeleken bij andere landen, te weinig aan speur- en ontwikkelingswerk; zo kom je tegenwoordig technologisch achterop. En de organisatie in de speur- en ontwikkelingssector laat veel te wensen over.

1) 1e versie: NRC/Handelsblad 1986 02 20.
2) Franklin onderhield nauwe banden met de Republiek. Zo was hij bijv. lid van de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen te Haarlem.