STW: historische notities. 1

C. le Pair

clepair@casema.nl




Pre-historie

Als je opa vraagt: 'Vertel eens van vroeger?' Begint hij bij zijn jeugd. Leo Halvers dacht dus niet aan een voordracht over de oudst bekende technologie in de lage landen toen hij mij vroeg u te vergasten op het STW-verleden. Die zou hebben moeten gaan over de bandencultuur op de leemgronden, zo'n 5000 jaar terug. Toch begin ik wel bij de pre-historie, omdat die veel invloed heeft gehad op de wordingsgeschiedenis en de bedrijfsfilosofie van de twintigjarige STW.

Nederland kwam verarmd en leeggeroofd uit WO II en de atoombom had de wereld om ons heen veranderd. (Overigens was kernenergie voor vooraanstaande Nederlandse fysici geen totale verrassing. Op hun instigatie was al voor de oorlog een partij 'yellow cake' gekocht, niet voor bij de koffie. Het was voldoende uranium voor een testreactor. Die voorraad werd voor de bezetter verborgen gehouden. Een leuk voorbeeld van wetenschappers die mogelijkheden zien, waarvan het 'management' nog geen notie heeft.)
Wederopbouw werd het devies en eensgezind gingen volk en regering aan het werk, geholpen door de onvolprezen Marshal steun van de Verenigde Staten. Het was o.a. zaak de natuurwetenschappen, met name de fysica en de techniek weer snel op niveau te brengen. Maar er was te weinig geld om de universiteiten in hun totaliteit te moderniseren. De Nederlandse industrie hielp een handje. Vooral de Koninklijke Shell steunde krachtig de vernieuwing van het instrumentarium. In die tijd was de eensgezindheid groot en de samenwerking tussen bedrijfsleven en universiteiten vanzelfsprekend.
De regering richtte samen met enkele fysici de Stichting FOM op om selectief geld naar natuurkundig onderzoek te kunnen sluizen. De TH in Delft stond apart in de wet op het WO. Daar kon de regering meer geld geven zonder verdunning van de spoeling. Zo steeg de omzet van de TH en van de FOM snel. Eigenlijk was de enige rem de beschikbare menskracht. Bij de FOM moet u denken aan een decade met een groei van 30% p.a., gevolgd door nog eens zo'n periode met 15%! Om zoiets in perspectief te plaatsen, moet men bedenken dat bij de toenmalige staf/student-verhouding en studieduur het systeem bij een netto-groei van 22% per jaar geen afgestudeerden aan de buitenwereld aflevert. Iedereen is dan nodig om het systeem zelf te bemannen.
Door de ruime middelen bij de TH hadden de technisch-fysici geen behoefte aan de FOM. Prof. Kronig die in Delft de scepter zwaaide, voelde er niet voor anderen invloed te geven op zijn onderzoeksprogramma. Zo kwam ondanks de aanvankelijke opzet met het oog op het maatschappelijke belang van de wetenschap, door het ontbreken van een grote technische component het zwaartepunt van FOM bij het zuiver wetenschappelijke onderzoek te liggen. Alhoewel vooral in het laboratorium van Prof. Kistemaker, het latere AMOLF, en bij het kernfusie initiatief op Rijnhuizen toepassing van de wetenschap een zwaar accent behield. Overigens een onveranderlijke doorn in het oog van ZWO, FOM's latere kunstmoeder, die net als zijn opvolger NWO, als het puntje bij paaltje kwam, "beleid" boven "wetenschap" stelde. Dat lijkt een universeel kenmerk van multi-culturele gemeenschappen.

De Nederlandse samenleving veranderde. Omstreeks 1953 waren er enkele schandalen. Op sommige plaatsen in de industrie profiteerde men van universitaire werkzaamheden zonder dat adequate vergoedingen ervoor op de juiste plaatsen terecht kwamen. Hierdoor keerden velen in het WO bedrijven de rug toe. Samenwerking met de industrie werd verdacht. Alleen in Delft waren de banden met het bedrijfsleven zo sterk, dat dit onweer de TH bespaard bleef. Maar elders keek men neer op industriële contacten. Langzamerhand normaliseerde de toestand zich weer en rond 1963 waren de goede betrekkingen, ook met de universiteiten, hersteld. Ja, en toen kwam de studentenopstand... Voor geld-verdienen moest je je schamen, het bedrijfsleven was slecht en we beleefden vijftien jaar vrijwel totale afzijdigheid. Dit keer werden ook de inmiddels tot universiteit verheven technische hogescholen tot het nieuwe geloof bekeerd.
Nog een andere ontwikkeling beïnvloedde de geboorte van de STW. We werden rijker en eindelijk kon de regering ook de universiteiten in hun geheel ruimer in hun jasje steken. Het gevolg was dat de universitaire fysici minder van de FOM afhankelijk werden. FOM's nationale strategische research aanpak strandde op decentrale initiatieven. Als paddestoelen rezen overal kernfysische versnellers uit de grond. Het feit dat FOM als eerste getroffen werd door het toen nog totaal onbekende verschijnsel van een constant budget, maakte het niet gemakkelijk die wildgroei te beteugelen. Het bezorgde mij in elk geval veel hoofdbrekens de eerste zes of zeven jaar van mijn leven als wetenschapbestuurder. Er kwam pas weer enig belangstelling voor een nationale aanpak, toen ook de budget-groei bij de universiteiten stagneerde. Dit keer deelden ook de TU's in de schaarste. En dat was het moment waarop de technisch-fysici zich het bestaan van de FOM herinnerden. Hoewel 'FOM-fysici' niet zaten te wachten op mee-eters uit hun nu karige ruif, beseften ze wel dat ze hen niet buiten de deur konden houden. De vraag werd: hoe stel je daar prioriteiten?
In 1974 kwam er een commissie die erover moest adviseren. De één, met de energiecrisis van 1973 vers in het geheugen, zei: "natuurkunde ten behoeve van de toekomstige energievoorziening". Een ander bepleitte "medische fysica", weer een ander stelde het milieu bovenaan en naarmate de commissie groeide, kwamen er meer prioriteitsgebieden. Toch was er een gezamenlijk gevoel van onvrede. Bezaten fysici voldoende legitimiteit om over de prioriteiten van de samenleving te beslissen? Het was de Delftse Prof. Le Poole, die het verlossende woord sprak. Hij was het vele vergaderen beu. Op een keer zei hij: "Och kom, we weten toch allemaal wat goede technische fysica is? Dat is goede fysica, waarop anderen zitten te wachten! " Het werd het verlossende woord. Op die basis konden prioriteiten worden gesteld. Er moesten "gebruikers" zijn. In die tijd was, met EZ voorop, de overheid ongerust geworden over de diepe scheiding tussen de universiteiten en het bedrijfsleven. En nog voor er nota's over het onderwerp verschenen hielp dat departement met zijn beleidsfondsen om de financiële obstakels te slechten. Het FOM-programma technische natuurkunde kwam met EZ-steun van de grond. Daarin werden onderzoeksvoorstellen beoordeeld op hun fysische kwaliteit en op utilisatie: de kans dat het onderzoek daadwerkelijk elders zou worden toegepast. Het werd een groot succes. Het gevolg was, dat andere onderzoekers vroegen: waarom moet zoiets alleen voor de natuurkunde? Ook voor ons is er behoefte aan een 'Tweede Geldstroom' voor op toepassingen gericht onderzoek.
Net als in 1945 voor de natuurkunde en de techniek zat het tij mee. Het woord 'innovatie' was net komen overwaaien. En gelukkig waren 'outsourcen' en 'kennis inkopen' nog onbekend. De regering kwam in 1978 naar goed Nederlands gebruik eensgezind met twee nota's. Er werden allerlei maatregelen aangekondigd. Een daarvan was: er moet een project-organisatie voor technisch wetenschappelijk onderzoek komen. Daartoe werd een voorbereidingscommissie ingesteld, voorgezeten door Prof. Koumans. FOM zorgde voor bureausteun. Het STW-advies was binnen een jaar gereed. Maar al tijdens dat jaar werd met goedvinden van EZ en OC&W een oproep het veld in gestuurd om onderzoeksvoorstellen in te dienen. Die werden op hun wetenschappelijke waarde en op hun kans op toepassing buiten het eigen vakgebied beoordeeld. De STW werd in 1981 opgericht en kreeg geld om de beste voorstellen te honoreren. Zo begon het.



STW-historie

Waar moest de Stichting worden ondergebracht? De overheid voelde er niet voor blijvend zelf de verantwoordelijkheid te dragen. Er waren twee organisaties voor het doel bij wet ingesteld: ZWO en TNO. Naar de aard van het onderzoek lag onderbrengen bij TNO voor de hand. Maar naar de werkwijze: financiering van projecten bij universiteiten, leek de STW meer te passen bij ZWO. Alleen vergde het bekostigen van op toepassing gericht onderzoek door ZWO een wetswijziging. Er was wel een voorziening in de oude ZWO-wet, die het bv. de FOM altijd had mogelijk gemaakt zijn programma uit te voeren, maar dat was beleidsmakers een doorn in het oog. Er was nu een 'Minister van Wetenschapsbeleid'. Die moest toch iets laten zien! De keus viel op ZWO. TNO ging akkoord. Tot de STW-oprichters behoorde behalve Prof. Koumans, enkele ambtenaren en de voorzitter van ZWO, ook TNO. De STW zou zich tot project-financiering beperken en geen eigen instituten oprichten. Als dat aan de orde zou komen, zou dat via overleg een TNO-zaak worden. Het wijzigen van de ZWO-Wet duurde zoals voorspeld ongeveer tien jaar. Het resultaat van al dat palaver was natuurlijk de bekende kameel, die door een commissie als paard is bedoeld. Het was bestuurlijk geen pronkstuk. Juridisch zat de oude ZWO-wet beter in elkaar, al was het maar omdat daarin de overheid de mogelijkheid had om direct invloed uit te oefenen en bepaalde taken op te dragen. Ook bevat de NWO-wet centralistische trekjes, die aantrekkingskracht uitoefenen op beleidsmakers die de wetenschap willen sturen. Je moet van goede huize komen om daaraan weerstand te bieden.
Wetenschapsbeleid is paradoxaal. Goed beleid steunt namelijk op kennis en de enige betrouwbare kennis is de wetenschappelijke. Wetenschapsbeleid is dus een verzameling die zichzelf bevat en volgens de Principia Mathematica komen we dan onszelf tegen. Beleidsmakers trekken zich daar niets van aan, niet moeilijk doen! Wat hen betreft gelden de hoofdwetten van de thermodynamica ook niet meer, als de meerderheid in de Tweede Kamer ze verwerpt. Het beleidsgenus gedijt dan ook vooral in het Haagse. Ik vind het een beetje verontrustend dat we deze bijeenkomst hier houden.
De STW werkt op de grens van verschillende culturen, de academische- en de cultuur van particuliere bedrijven. Mengpogingen zijn in het verleden gestrand. Ook nauwe contacten zijn gevaarlijk. Denk aan de hiervoor aangeduide gebeurtenissen in 1953 en 1967. (En aan vele buitenlandse voorbeelden.) Als de STW tot elke prijs wensen en behoeften van bedrijven tegemoet zou komen, zou zij de volgende anti-bedrijfsleven-golf katalyseren.
In de bedrijfscultuur is 'research' het verkrijgen van kennis, die het bedrijf nodig heeft en waarover het nog niet beschikt. Een R&D-medewerker die de hand weet te leggen op een goed boek, waar het allemaal in staat, levert daar ook een efficiënte research-bijdrage. In het academisch milieu doet zo iemand niets anders dan studeren. Hij is hooguit bezig met voorbereiding van universitair onderzoek. Als managers zich met research bemoeien, doen ze dat met het oog op iets dat ze willen bereiken. Dat is iets anders dan het verkennen van het onbekende. In die optiek is universitair onderzoek dan ook heel inefficiënt. Vanuit de wetenschap het politieke- of het zakelijke 'management' over opties en kansen aanspreken, is daarom heel iets anders dan vanuit 'het management' research doelen aangeven en ontwikkelingen vragen. De STW balanceert dus op het scherp van de snede. Ze steunt alleen origineel werk, hoe zeer soms een bedrijf ook met onderzoek van het 'me too' type gebaat zou zijn. Anderzijds moet de Stichting voortdurend de twee culturen verzoenen en dus bij de managers begrip kweken voor de verdiensten van academisch werk op de lange termijn. Gelukkig krijgt de organisatie daarbij in de praktijk altijd enorm veel steun van de R&D-mensen in de bedrijven, die de situatie wel begrijpen en hem helpen verdedigen.

Andere valkuilen die de STW moet ontlopen zijn concurrentie-vervalsing, ongeoorloofde subsidies aan bedrijven en inbreuk op EU-voorschriften. Resultaten van publiek gefinancierd onderzoek 'om niet' afstaan aan een bedrijf en de terugbetaling overlaten aan de belastingdienst, lijkt erg handig (is ook overwogen), maar zou bij een concurrerende firma, die buiten de deur wordt gehouden, niet veel waardering oogsten. De STW-oplossing is: bedrijven laten betalen als ze anderen uit gebruikerscommissies willen weren. En indien ze zich commercieel waardevolle kennis willen toe-eigenen, ze daarvoor de marktprijs rekenen. Het klinkt simpel, maar de marktprijs is dikwijls lastig te schatten en onderhandelingen zijn vaak moeilijk, zeker als in bedrijven niet de R&D-afdeling, maar de 'corporate lawyers' het laatste woord hebben. De Stichting heeft een essentiële voorsprong op kennishandel-diensten bij de universiteiten zelf. De problematiek is namelijk in hoge mate specialisme afhankelijk. En bij de STW zijn de 'program officers' (PO's) deskundige specialisten. De juridische en zakelijke ondersteuning van de STW-juristen, de club van onze onvolprezen Marjan, is daarbij van onschatbaar belang, maar de specialisten hebben het laatste woord. Als een universiteit met evenveel expertise zou willen werken, zou zo'n dienst daar veel te duur worden. Nog afgezien van het feit, dat je alleen maar specialist wordt, door voortdurend in de keuken te kijken en dat doen STW-PO's automatisch door hun betrokkenheid bij de projectfinanciering en -uitvoering. Met instemming van EZ accepteert de STW evenzeer buitenlandse gebruikers, waarmee een ander potentieel EU-struikelblok is geëlimineerd. Dat toch de grote moot van de gebruikers Nederlandse bedrijven zijn, is het gevolg van de bij kennis-overdracht zwaarwegende nabijheidsfactor. Een verschijnsel dat o.a. door Narin buiten kijf is gesteld.

Bij de oprichting van de STW is overwogen een onderscheid te maken tussen technische wetenschap, toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek, medische technologie en fundamenteel onderzoek. In de voorbereidingscommissie ontstond daarover een oeverloze discussie. Tenslotte werd een experiment gedaan. Ca. 60 lopende projecten werden ingedeeld. Het resultaat was verhelderend: totale chaos. De conclusie was onontkoombaar: zelfs als wij er in zouden slagen scherpe definities te formuleren, dan zou het nog absoluut onrealistisch zijn te veronderstellen dat het zich voortdurend verversende veld er ooit mee uit de voeten zou kunnen. Er werd dus besloten geen onderscheid te maken, behalve voor een makkelijk herkenbaar stuk van de medische technologie. (Er was voor medisch onderzoek al een afdeling bij ZWO/NWO.) Voor de STW werd volgens afspraak de kliniek of de patiënt als enige gebruiker niet genoeg. Zij eist dat er bij de gebruikers van medisch onderzoek een particulier bedrijf moet zijn. Voor het overige bepaalt dan de verkregen prioriteit of een project STW-steun krijgt, m.a.w. of het 'technisch' is. Enig extra werk, in het geval dat aanvragen op twee plaatsen zouden worden ingediend, werd aanvaardbaar geacht. Later bleek dat het in de praktijk zelden gebeurde. Achteraf bleek ook dit een wijze keus. De bevordering van utilisatie en de kennishandel zijn nl. precies de onderdelen van het STW-werk die hun fundamenten hebben buiten de academische cultuur. Te veronderstellen dat je die best even door de hele organisatie kunt mengen, is een gedachtenspinsel uit de school van de maakbare samenleving. Maar ik geef eerlijk toe, dat wij dat zelf ook niet wisten, toen we begonnen.



Bedrijfsfilosofie

Sommigen vroegen zich af, hoe je bij zo'n groot werkterrein over voldoende expertise kon beschikken om plannen te beoordelen. Dat was eigenlijk de minste van onze zorgen. De eisen die aan een projectbeoordeling moet worden gesteld zijn:
  1. advies van mensen die er verstand van hebben inclusief potentiële gebruikers;
  2. gelegenheid voor de indiener om zich te verweren;
  3. afweging tegen plannen van anderen en
  4. besluit.
De STW deed dat met een minimum aan bureaucratie. Besluiten werden het hele jaar door genomen. Advies werd ingewonnen bij experts volgens het principe dat de hele wereld niet verder dan vier handdrukken of telefoontjes van een 'program officer' verwijderd is. (Er was toen nog geen internet.) Iedereen kent nl. in de orde van 1000 mensen en men bleek de STW graag te willen helpen. Na een paar telefoontjes zit je midden in het internationale circuit. Zelf acht ik deze methode superieur aan die waarin met vaste commissies wordt gewerkt. Daarin is de expertise altijd veel te beperkt, ten nadele van buitenstaanders.

Een tweede gouden greep was de totaalfinanciering. Geen aparte potjes voor salarissen, materialen, grote instrumenten, reizen enz. We attendeerden onderzoekers er zelfs op, wanneer o.i. hun aanvraag onvolledig was. Die werkwijze ontmoette veel waardering, hij is bepaald niet wijd verbreid in vergelijkbare research-organisaties. Bij het tweede lustrum werd dan ook gezongen: "...je vraagt een gulden en je krijgt er twee..." Het STW-motto werd: als we iets doen, doen we het goed en anders doen we het niet. Dat vrijwaart de uitverkoren projectleiders van een hoop rompslomp. Om die reden acht ik het verkeerd een eis tot medefinanciering te stellen. Daarmee veroordeel je goede mensen tot het verdoen van hun tijd2. Ik heb begrepen dat tegenwoordig meebetaling vereist is bij projecten die meer kosten dan 0,5 M. Die eis schiet m.i. het doel voorbij. Bestuur en Bestuursraad kunnen ook zelf een overmaat van dure projecten beteugelen3. Vanwege de eis in de aanvraag het utilisatiepad te beschrijven, is het doen van een STW-aanvraag arbeidsintensief. Onderzoekers moeten vooraf met gebruikers overleggen en afspraken maken. Dat kan een tijdrovende bezigheid zijn. Om die reden moet het honoreringspercentage van aanvragen rond 40% liggen, anders wordt de produktiviteit discutabel en dan haken als eersten goede onderzoekers af. Dit is contra-intuïtief en het moet telkens opnieuw worden uitgelegd. Daarom is het het beste om bij geldgebrek tijdelijk geen aanvragen in behandeling te nemen. Dan wordt er geen werk voor niets gedaan door aanvragers, referenten, jury's en bureau. De hoeveelheid onderzoek die je uiteindelijk doet, blijft toch gelijk. Overigens zou zo'n stop een heel jaar moeten duren, wil je even onderzoeker-onvriendelijk zijn als organisaties die met één aanvraagdatum per jaar werken.

De keus van de adviseurs, en de omvang van de financiële steun brengen mij op de cruciale rol van de 'program officer' (PO); de derde succes-factor. Bestuur en Bestuursraad waren van mening dat de projectleiders (PL's) - professoren e.d. - de belangrijkste mensen zijn in de organisatie. Zij zijn de initiatiefnemers, de organisators, uitvoerders en toezichthouders van het onderzoek. Bestuur en directie zijn slechts een helaas noodzakelijk intermediair tussen de belastingbetaler en deze kernen, waarom het eigenlijk draait. Een besluit over geld, voorwaarden en gebruikersbetrokkenheid zou eigenlijk slechts genomen mogen worden in overleg met de PL. Organisatorisch is het echter ondoenlijk om PL's telkens voor zulke beslissingen naar het STW-bureau in Utrecht te laten reizen. In hun plaats treedt de STW-PO, die de rol heeft van 'advokaat' en 'zaakwaarnemer' van de PL. Hij, of zij, kiest de referenten, (adviseurs) voor een project, die aan hem rapporteren. Hij leidt de schriftelijke discussie tussen adviseurs en PL, hij is op de hoogte van de aard van de gebruikersbetrokkenheid en de omstandigheden waaronder een project worden uitgevoerd. De PO heeft daartoe een aantal bevoegdheden, die uitgaan boven die van ogenschijnlijk vergelijkbare beleidsmedewerkers elders. Ook bewaakt hij de kenniseigendom en heeft de daarvoor noodzakelijke bevoegdheden. PL en gebruikers hebben in de persoon van de PO een aanspreekpunt, waarmee zij - essentieel voor toegepast onderzoek - direct zaken kunnen doen. Ik acht dit een van drie belangrijkste succes-factoren van de organisatie4.



Gebruikers

Verreweg het grootste succes van de STW is de creatie van een reusachtig netwerk van onderzoekers en gebruikers. Elk project krijgt een gebruikerscommissie met mensen die zich echt voor dat onderzoek interesseren. Het is essentieel voor op toepassing gericht onderzoek dat gebruikerscontacten zo vroeg mogelijk worden gelegd. Het idee van gebruikers die wat zouden hebben aan onderzoek resultaten die 'op de plank liggen' is naïef. Onderzoekresultaten moeten op maat worden gemaakt. Via de GC's leren niet alleen onderzoekers gebruikers kennen, maar ook is het een ontmoetingsplaats voor gebruikers onderling. De betrokkenen wisselen voortdurend. Het netwerk ververst zichzelf op basis van actuele behoeften. De onderzoekers-gebruikersgemeenschap van de STW is vermoedelijk een van de meest dynamische gezelschappen van ons land. Men neemt er aan deel naar behoefte en niet voor de vorm, het is een broedplaats voor nieuwe plannen, voor verdere samenwerking, voor programma's waarbij vele groepen en bedrijven betrokken zijn, kortom het is d kweekplaats bij uitstek van innovatief Nederland. We praten hier over een zich voortdurend verversende verzameling van rond 3000 mensen. Vrijwel alle grote- en zo'n 300 kleine bedrijven plus andere instituten en overheidsinstellingen nemen deel, rond een kern van bijna 1000 onderzoekers. Als het niet al bestond en geruisloos functioneerde, zou het nog vandaag opnieuw moeten worden uitgevonden. Bij het afsluiten van een van de eerste STW-projecten, waarbij vrijwel de hele vaderlandse chemische industrie betrokken was, zei de projectleider in een toespraak dat de ervaring uniek was, omdat er waarschijnlijk nog nooit in de geschiedenis van de TU in zo korte tijd zo veel kennis van de industrie naar de universiteit was gevloeid. Op zo'n manier blijven de betrekkingen goed - ik neem aan dat de industriële deelname ook geen liefdadigheid was - en we geven geen aanleiding tot een nieuwe anti-industrie-golf. Kortom het zindert in het STW-netwerk. Ik hoop, in het belang van ons land dat het netwerk zal blijven zinderen en dat het niet gefrustreerd gaat worden door het vastleggen van programmatische structuren die: ontstaan nadat ze nodig waren, die voortbestaan als ze al overbodig zijn geworden en waarin mensen moeten opdraven, omdat ze in een commissie zitten en niet omdat het onderwerp hen interesseert, terwijl ze besluiten nemen die sneller en effectiever door een enkele STW-program officer genomen hadden kunnen worden.

Ik wens de STW in het belang van ons land een florissante toekomst.

Noten

  1. Causerie ter gelegenheid van het 4e lustrum van de Technologiestichting STW; 9 oktober 2001, Den Haag. Oorspronkelijke titel: 20 Jaar STW. Herzien en aangevuld o.a. met rol van de Program Officers.
  2. Er zijn nog andere bezwaren. Zo vergt een grote bijdrage in veel bedrijven een besluit van hoger management. En op dat niveau is er maar al te vaak geen kijk op werkelijk baanbrekend nieuwe ontwikkelingen. M.i. zou bv. een dergelijke eis destijds dodelijk zijn geweest voor het onderzoek dat uiteindelijk tot 'GLARE' geleid heeft en dat nu zo'n twintig jaar later een heel nieuwe industriële ontwikkeling mogelijk maakt.
  3. Men kan bv. denken aan een hogere waarderingseis; fasering; samen met de PL op zoek gaan naar medefinancier(s); extra onderzoek naar de interne samenhang; visitatie...
  4. Onlangs is het Bestuur om organisatorische redenen over projecten gaan beslissen buiten aanwezigheid van PL en PO. Het spijt mij het te moeten zeggen: dit is verkeerd. De afstand tot de essentiële eenheid, het onderzoeksproject, is vergroot. Anticipatie op vragen die bij een beslissing rijzen is nu eenmaal niet mogelijk en er is verlies aan informatie. Zo'n werkwijze kenmerkt doorgaans gremia, die aan eigen problemen zwaarder tillen dan aan de essentie, waarvoor zij in het leven zijn geroepen. 'Het veld' noteert een toename van de bureaucratie.
    M.i. was dit niet nodig. Er zijn betere oplossingen bij schaalvergroting.

Herzien: 6 maart 2005